roteer uw scherm

Uw advertentie hier? Neem contact met ons op

Herinneringsavond 21 februari 2019 Bombardement op Nijmegen.

(Uitgesproken tekst door Martin van Leth tijdens de  herinneringsavond Bombardement op Nijmegen 22 – 02 – 44. De Koninklijke Zangvereeniging Nijmeegs Mannenkoor was daarbij). 

Ik was ongeveer 18 jaar, toen ik deze foto in de krant zag en een discussie begon met mijn vader Hein van Leth over het bombardement en de oorlog. Over de foto merkte hij op: ‘Die linkse persoon met een helm van de luchtbescherming op ben ik. We hielpen wat we konden bij dat bombardement.’

Die helm en overall waren van mijn Opa van Leth (Tinus), Pa’s vader. Opa was door het bombardement op zijn huis aan de Jodengas, achter de Augustijnen Kerk zwaar gewond geraakt. Hij verloor daarbij direct een been en enkele dagen later is hij aan zijn verwondingen overleden. Oma Betje, zijn vrouw raakte halfzijdig verlamd door bomscherven in haar lichaam. De hele voorgevel van het huis was verdwenen. “Net een poppenhuis” zei Ome Jan me ooit. Mijn vader bedacht zich geen moment en kleedde zich in Opa’s Luchtbescherming overall en ging helpen bij het blussen en gewonden verzorgen.

Over de oorlog werd in de familie van Leth weinig gesproken. “Kom op jongens, dat is voorbij, we moeten verder, we gaan er tegenaan.”

Na het overlijden van mijn moeder, Marie, in 2001, heb ik een doos met brieven en foto’s uit de oorlogstijd gekregen, vader Hein was al in 1985 overleden.

Uit deze briefwisseling tussen Pa in de Ooy en Ma in het gevang en latere gesprekken met nog levende familieleden, kwam voor mij een stuk ongekende familiegeschiedenis naar boven.

Pa vocht aan het begin van de oorlog in Rotterdam. In 1943 werd hij met zijn broers Ties en Antoon opgeroepen voor de Arbeits Einsatz in Duitsland. Zij weigerden dat en doken onder. Mijn Opa Tinus van Leth  vroeg zijn broer Bertus om onderduikhulp voor zijn zoons, maar Bertus weigerde die hulp. Hij weigerde die hulp voor zijn neefs omdat hij al een Joodse familie onderdak gaf (o.a. Diny van Duuren – Vrengel) en hij het te gevaarlijk vond om nog meer lieden onderdak te geven. Bij leven heeft mijn Opa Tinus deze uitleg niet gehoord en tot zijn dood vond hij Bertus dus een lafaard.

De ‘jongens Hein en Antoon’ doken onder en ‘Ties’ is uiteindelijk in Duitsland te werk gesteld en na de oorlog teruggekeerd.

Mijn vader was ondergedoken in het Patronaatsgebouw van de kerk in de Ooy, samen met broer Antoon, 2 neven Pothof, huisvriend Martin Aalbers, zwager Hans Cornelese en huisvriend Polmann, winkelier van serviesgoed in de Broerstraat. Als onderduiker bestond je voor de Duitsers niet, dus ook geen stamkaart, persoonsbewijs, bonnen voor voedsel etc.

In Beek-Ubbergen had zich om de Familie Bouten een ondergronds groepje gevormd. Mijn moeder had zich daarbij aangesloten en zorgde voor transport naar de diverse onderduikers van door die groep Bouten uit het distributiekantoor Beek gestolen bonnen, stamkaarten en vervalste persoonsbewijzen.

Mijn moeder werd door de Duitse Sicherheitsdienst met hulp van Nijmeegse Politie!!! opgepakt van wege deelname/lid van de “Widerstandsorganisation ‘Vrij Nederland’ in Nijmegen-Beek.

Ik ben dus het laatste jaar van de oorlog door en bij mijn grootouders achter de Augustijnenstraatskerk in de Jodengas opgevoed.

Hoe kon het dan dat Pa tijdens het Bombardement in Nijmegen was, hij zat toch ondergedoken?

Pa kwam af en toe stiekum naar Nijmegen om zijn kinderen te bezoeken. Zo ook die 21e februari 1944. Vandaar Pa op de foto van die dag.

Als gezegd: Ma werd 10 December 1943 gearresteerd, en na 2 dagen verhoor op het politiebureau in Nijmegen is ze naar de SD gevangenis in Arnhem getransporteerd (Koepel in Arnhem). Na een maand en veel verhoren etc. naar Kazettlager “Kamp Vught” vervoerd. Pas op 6 Juli 1944 kreeg ze daar officieel van haar arrestatie en aanklacht te horen. Vanuit Kamp Vught is zij in afwachting van haar proces afgevoerd naar Utrecht waar ze van 19 Juli  tot 14 September 1944 in eenzame opsluiting gezet werd in Cel 168-U in de “Strafgevangenis van de Duitse SD”.

In die SD gevangenis is zij wekenlang verhoord over de plaats van de onderduikers. De SD had bewijs van haar koerierschap, maar wisten niet waar de onderduikers zaten en ze heeft steeds gezwegen over die verblijfplaatsen.

In de gevangenis kreeg zij uiteindelijk het officiële bevel om op 5 September 1944 samen met de andere leden van de “Gruppe Bouten” te verschijnen voor het “Duitse Obergericht voor bezet Nederland”.

Op 5 september hadden zij het grootste geluk van hun leven: “De geallieerden hadden Breda al bevrijd, die dag werd later bekend als de “De Dolle Dinsdag”. Het proces werd uitgesteld en de Duitsers en NSB-ers raakten in paniek en sloegen op de vlucht. De (bijna) - veroordeelden van de groep Bouten werden uiteindelijk op straat gezet en weggestuurd.                                                                

Ma is lopend, af en toe meerijdend met een trammetje of een boerenkar, teruggegaan, van Utrecht naar Nijmegen, waar zij op 14 september weer thuis was.

Dankzij de chaotische toestand rond Dolle Dinsdag hebben mijn moeder en de andere leden van de verzetsgroep Bouten het er levend van afgebracht. Voor hun illegale activiteiten, had mijn moeder zeer waarschijnlijk, zoals te doen gebruikelijk, de doodstraf gekregen.

Pa en Ma horen wat mij betreft bij de categorie van stille helden en heldinnen. Allereerst die ondergrondse activiteiten en dan later als 24 jarige moeder van 2 kinderen, vrouw van hun vader, in al die verhoren nooit de plaats van de onderduikers gegeven.

Na de oorlog zijn mijn ouders met telkens weer een zeer positieve instelling verder gegaan. Als verkenner moest ik van hen aan uitwisselingen met Duitse scouting deelnemen. “Er zijn ook goeie Duitsers.”

Natuurlijk hadden ze pijn en verdriet over de omgekomen familieleden en vrienden. Maar daarin blijven hangen was niets voor hen. Hun instelling:  “Blijf ze herdenken, maar denk ook aan de   toekomst. Samen er tegenaan en realiseer je dat achter elke donkere wolk de zon schijnt.” 

Nijmegen, 21 februari 2019